LWEO

hoofdstuk 4

hoofdstuk 4

Europese integratie

De Europese Unie (EU)
De basis voor de economische integratie is gevormd door het tot stand brengen van de interne markt met vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. De EU voert een gemeenschappelijk beleid met als doel de Europese integratie verder vorm te geven.

Enkele beleidsterreinen van de EU
– Stimuleren van economische groei en werkgelegenheid
Het gaat hier om het stimuleren van investeringen en het nastreven van hervorming van de arbeidsmarkt. Verder vormt een goed werkende interne markt de ruggengraat van de Europese economie. Hierbij is een gezonde concurrentie van belang. Om oneerlijke concurrentie tussen bedrijven op de interne markt te voorkomen probeert de Europese Commissie de belastingtarieven te harmoniseren. Harmonisatie is het op elkaar afstemmen van belastingtarieven en overheidsregels.
– Verduurzamen van de economische groei
Om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, heeft de EU een eigen systeem opgezet: het Emissions Trading System (ETS).
– Verminderen van verschillen tussen regio’s/landen binnen de EU (convergentie)
Het Europees beleid is gericht op het versterken van economische groeimogelijkheden van zwakkere regio’s/lidstaten via gerichte investeringsprogramma’s.

Financiering EU
De inkomsten van de EU-landen bestaan voornamelijk uit contributies van de lidstaten. De hoogte hiervan is gekoppeld aan de totale btw-ontvangsten en de hoogte van het bbp van elke lidstaat. Naast contributies ontvangt de EU ook opbrengsten uit invoerheffingen en boetes.

De EMU en de euro
De oprichting van de EMU verlaagde de transactiekosten bij de handel tussen de deelnemende landen. Er zijn geen omwisselkosten meer en bedrijven hoeven zich niet te verzekeren tegen koersrisico’s. Tegelijkertijd is de markt transparanter geworden (prijzen zijn beter te vergelijken) en is de concurrentie toegenomen wat leidt tot lagere prijzen voor de consumenten. Door de EMU verliezen landen de mogelijkheid om via devaluatie van de eigen munt hun internationale concurrentiepositie te verbeteren. De ECB bepaalt voortaan de hoogte van het officiële tarief van de korte rente in de eurozone.

Nationale overheden zijn in hun begrotingsbeleid gebonden aan het stabiliteits- en groeipact. Volgens dit pact mag het overheidstekort niet meer dan 3% zijn van het bbp en de omvang van de staatsschuld mag niet meer zijn dan 60% van het bbp. Landen die deze normen overschrijden krijgen als sanctie een boete.
Het gemeenschappelijke inflatiebeleid van de ECB en de afspraken over het overheidstekort en de overheidsschuld moeten bijdragen aan de economische convergentie in het eurogebied, dit wil zeggen dat landen op economisch gebied naar elkaar toegroeien. Het stabiliteits- en groeipact is nodig, omdat hoge overheidstekorten en staatsschulden nadelen hebben:
– Hoge overheidstekorten kunnen inflatie veroorzaken. Toename van de overheidsuitgaven vergroten de bestedingen. Als de vraag toeneemt en de productiecapaciteit deze vraag niet aankan, stijgen de prijzen.
– Hoge overheidstekorten kunnen de rente opdrijven. Bij een hoog overheidstekort moet de overheid veel geld lenen en dit kan de prijs van leningen, de rente, opdrijven waardoor de overheid ook weer meer rente moet betalen.
– Hoge overheidstekorten en staatsschulden kunnen overheidstaken in gevaar brengen. Hoe hoger de rentelasten, des te minder geld er beschikbaar is voor andere overheidsuitgaven zoals onderwijs, veiligheid, zorg en milieu.

Wanneer wordt de overheidsschuld een probleem
Door het oplopen van de staatsschuld wordt het bedrag dat jaarlijks betaald moet worden aan rente steeds hoger. De rente die elk jaar over de totale schuld moet worden betaald, wordt gefinancierd uit de belastingontvangsten van dat jaar. Als het bbp meegroeit met de schuld stijgen de belastinginkomsten ook en hoeven extra rentebetalingen geen groot probleem te zijn. Groeit de schuld echter sterker dan het bbp, dan drukken rentebetalingen andere overheidsuitgaven weg. Als de staatsschuldquote erg groot wordt, kunnen beleggers een hoge rente eisen omdat het risico op niet terugbetalen toeneemt. Hiermee kan de overheid in een ‘schuldenval’ belanden: een vicieuze cirkel van oplopende schulden en hogere rente.

Met het oplopen van de rentepercentages op de staatsschulden worden landen gestraft voor hun uit de hand gelopen overheidsbeleid. Je kunt dit zien als een automatische sanctie van de financiële markten. Maar hierdoor kan ook een situatie ontstaan (zie Griekenland) waarin het land niet meer in staat is om de staatsschuld te herfinancieren op de internationale kapitaalmarkt (tenzij tegen zulke hoge rentes die zij onmogelijk op kunnen brengen). Herfinancieren is het opnieuw lenen van geld om leningen, waarvan de looptijd is verstreken, te kunnen aflossen. Om de kapitaalmarkten te overtuigen dat probleemlanden ook in de toekomst op steun kunnen rekenen van de EU, wordt een steunfonds opgericht waaruit aan probleemlanden leningen kunnen worden verstrekt. Om moral hazard te vermijden worden aan deze steunverlening uit het noodfonds strenge eisen (bezuinigingen) gesteld. Indirect worden daardoor ook banken gesteund die vorderingen hebben op die overheden. Ook hier komt de moral harzardproblematiek weer om de hoek kijken. Banken kunnen geld uitlenen tegen hoge rentes aan overheden die niet afbetalen. Die hoge rente is een vergoeding voor dat risico. Moeten die banken dan via steun aan die overheden gered worden op kosten van de belastingbetaler?

Is de euro het probleem
Met de invoering van de euro zijn een aantal problemen ontstaan. Omdat de eurozone één centrale bank heeft, de ECB, is er ook één monetair beleid voor alle landen. Wanneer de economische ontwikkeling van landen verschillen, kan dat problemen geven. Dit was ook bij de lidstaten van de euro het geval. De onderlinge concurrentieverhoudingen tussen de lidstaten was scheef. Duitsland en Nederland hadden een sterke internationale concurrentiepositie op de Europese en internationale markten. Dit gold niet voor de Zuid-Europese landen. Zij kenden sterk stijgende loonkosten en daardoor hoge inflatie. Toen ze nog een eigen munt hadden, konden ze dit compenseren met een devaluatie van de munt. Die beleidsruimte hebben die landen niet meer. Door toetreding tot de EMU kan een land zijn concurrentiepositie niet meer versterken door te devalueren, kan een land zijn economie niet meer stimuleren door renteverlaging of grotere overheidsuitgaven. Door invoering van de euro daalde ook de lange rente in veel lidstaten.

De ECB
De ECB heeft als hoofdtaak de inflatie in toom te houden. Daartoe moet de ECB onafhankelijk zijn van de politiek, omdat het anders voor politici verleidelijk is om in economisch moeilijke tijden aan de ECB te vragen extra geld te scheppen (zie VS anno 2012 waar de FED de economie wel enorm steunt door geldschepping). Het was ook niet de bedoeling dat de ECB staatsobligaties ging opkopen, de overheden moeten hun eigen boontjes doppen op de kapitaalmarkt. Intussen is de ECB toch staatsleningen gaan opkopen om de rente op die leningen te drukken.

links
Geschiedenis van de Europese Unie (video 10 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4

convergentie
Het verschijnsel dat regio’s/landen economisch naar elkaar toe groeien.
divergentie
Het verschijnsel dat regio’s/landen economisch uit elkaar groeien.
harmonisatie
Het op elkaar afstemmen van bijvoorbeeld belasting¬tarieven en overheidsregels.
interne markt
Een vorm van economische integratie, waarbij er tussen de landen vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal is.
kapitaalmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar langlopend en permanent vermogen wordt verhandeld.
monetair beleid
De maatregelen die de Europese Centrale Bank (ECB) neemt om de waarde van de euro stabiel te houden.
nettobetaler
Als een lidstaat meer betaalt aan de EU dan ontvangt.
netto-ontvanger
Als een lidstaat meer ontvangt van de EU dan betaalt.
overheidstekort
(= financieringstekort) Het (negatieve) verschil tussen de ontvangsten en de uitgaven (exclusief aflossing) van de overheid in een jaar. Het is gelijk aan de groei van de staatsschuld in een jaar.
overheidsuitgavenquote
De overheidsuitgaven in procenten van het bbp.
staatsschuld
(= overheidschuld) De schuld van de overheid.
staatsschuldquote
De staatsschuld uitgedrukt als percentage van het bbp.
stabiliteits- en groeipact
Verdrag dat is gesloten bij de oprichting van de EMU om economische convergentie in het eurogebied te bereiken.
uitgestelde belastingheffing
Huidige overheidsuitgaven worden niet betaald door de belastingbetalers van nu maar uit toekomstige belastinginkomsten.
zelfbinding
Vooraf uitspreken wat je in een bepaalde situatie zult gaan doen en je daaraan houden. Bij marktpartijen: Openlijk deelname uitspreken met als doel anderen tot samenwerking te bewegen.

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)