LWEO

hoofdstuk 2

hoofdstuk 2

Waar komt geld vandaan?

Op een gegeven moment in de geschiedenis ontstond arbeidsdeling en ruil. Aanvankelijk werden goederen tegen goederen geruild. We noemen dit directe ruil of ruil in natura. Later werden goederen geruild tegen een ruilmiddel (geld).

Als ruilmiddel werden onder andere zout en schelpen gebruikt en uiteindelijk munten van goud of zilver. Door middel van de nominale waarde (de waarde die op de munt vermeld staat) en de intrinsieke waarde (de waarde van het materiaal van de munt) kwam men tot de standaardmunten.

Tekenmunten hebben een intrinsieke waarde die lager is dan de nominale waarde. Tekenmunten zijn een voorbeeld van fiduciair geld: geld dat gebaseerd is op vertrouwen.

In de late middeleeuwen ontstond het bankbiljet. Kooplieden gaven hun gouden munten bij goudsmeden in bewaring en kregen daarvoor een ontvangstbewijs met daarop de waarde van het edelmetaal dat in bewaring was gegeven. Het ontvangstbewijs was een bewijs dat je een vordering had op de goudsmid. Met het ontvangstbewijs konden elders goederen gekocht worden. Op die manier bleven de ontvangstbewijzen in omloop. Omdat de gouden munten nooit volledig worden opgevraagd, kon de goudsmit een groter bedrag aan ontvangstbewijzen uitgeven dan het goud dat hij beheerde. Hij verleende krediet. Deze kredietverlening leidde tot een forse stijging van de geldhoeveelheid.

De Nederlandsche Bank (DNB) kreeg in 1863 het monopolie om bankbiljetten (en munten) uit te geven. Sinds de invoering van de euro op 1 januari 2002 is de Europese Centrale Bank (ECB) verantwoordelijk voor de uitgifte van euromunten en bankbiljetten. Het belangrijkste doel is prijsstabiliteit.

links
Alles kost geld (video 7 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

arbeidsdeling 
Het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden vergroot.
bankier
Eigenaar van een bank.
dekkingsmiddel
Munten en bankbiljetten die de banken in voorraad moeten hebben voor het geval dat mensen hun tegoed opvragen.
De Nederlandsche Bank (DNB)
De centrale bank van Nederland. DNB is uitvoerder van het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB).
directe ruil (= ruil in natura) Ruil waarbij goederen zonder tussenkomst van geld rechtstreeks geruild worden tegen goederen.
Europese Centrale Bank (ECB)
Centrale bank voor de landen die de euro als munt hebben. Is verantwoordelijk voor de uitgifte van euromunten en bankbiljetten.
fiduciair geld
Geld dat aanvaard wordt doordat men vertrouwen heeft dat er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden.
girale kredieten
Banken scheppen giraal geld, waarbij chartaal geld als dekkingsmiddel fungeert. In de praktijk worden girale tegoeden niet volledig gedekt door chartaal geld, omdat slechts een klein deel van de tegoeden als kasgeld wordt opgevraagd.
indirecte ruil
Goederen worden geruild tegen geld.
intrinsieke waarde
Materiaalwaarde van een munt.
kredietverlening
Het uitlenen van chartaal of giraal geld door een bank.
nominale waarde
Waarde die op een munt of een bankbiljet vermeld staat.