LWEO

hoofdstuk 4

hoofdstuk 4

De lucht in

De vraag naar vliegreizen en het aanbod van vliegreizen staan centraal in dit hoofdstuk, waarbij verschillende factoren een rol spelen, zoals de prijs, de stand van de economie, het inkomen, de globalisering, de bevolkingsomvang, de behoefte, de prijzen van andere vervoersmiddelen en de prijzen van aanvullende goederen.

De vraag
De vraag naar een bepaald goed (Qv) is afhankelijk van een aantal factoren: de prijs van het betreffende product, de prijs van andere producten, het inkomen van de consumenten, de voorkeur (behoefte) van de consument, het aantal consumenten en de stand van de economie. De vraagfunctie geeft het verband tussen de vraag (Qv) en de prijs (P) weer. Dit verband is negatief: als de prijs stijgt dan neemt de vraag af en als de prijs daalt, stijgt de vraag. Daarbij moeten wel alle andere factoren die invloed hebben op de prijs gelijk blijven. Dit heet de ceteris-paribusvoorwaarde.

Het aanbod
Het aanbod van een bepaald goed is afhankelijk van: de prijs, de productiekosten, het aantal producenten, enzovoort. Met de aanbodfunctie wordt het verband tussen het aanbod (Qa) en de prijs (P) weergegeven. Dit verband is positief: als de prijs stijgt, dan neemt het aanbod toe en als de prijs daalt, dan daalt het aanbod. Daarbij moeten wel de andere factoren die invloed hebben op het aanbod gelijk blijven (de ceteris-paribusvoorwaarde).

De vraagfunctie en de aanbodfunctie kunnen worden weergegeven met een grafiek, waarbij we de hoeveelheid op de horizontale as zetten en de prijs op de verticale as.

Het evenwicht
Waar de vraaglijn en de aanbodlijn elkaar snijden, is sprake van marktevenwicht. De gevraagde hoeveelheid is gelijk aan de aangeboden hoeveelheid. De prijs die gevraagde en aangeboden hoeveelheid op elkaar afstemt, noemen we de evenwichtsprijs en de daarbij verhandelde hoeveelheid is de evenwichtshoeveelheid.

Betalingsbereidheid en het surplus
Vaak is er een verschil tussen wat een consument bereid is te betalen en dat wat hij uiteindelijk moet betalen. Wat een consument/vrager bereid is te betalen noemen we de betalingsbereidheid. Als je bereid bent om op een zeer hete en zonnige middag € 2 te betalen voor blikje cola en je kunt het blikje voor
€ 0,68 kopen dan behaal je een voordeel van € 2 – € 0,68 = € 1,32. Dat voordeel heet het consumentensurplus. Het consumentensurplus is het verschil tussen de betalingsbereidheid en de prijs die betaald moet worden. Van een surplus is ook sprake bij de aanbieders. Als een aanbieder bereid is een blikje cola te verkopen voor € 0,40 en het blikje wordt verkocht voor € 0,68 dan heeft hij een voordeel van € 0,28. Dat voordeel noemen we het producentensurplus. Samen vormen het consumentensurplus en het producentensurplus de zogenaamde welvaartswinst.

links
Vraaglijn (video 1 min.)
Vraag en aanbod (video 9 min.)
Collectieve vraagcurve en consumentensurplus (video 13 min.)
Consumenten- en producentensurplus (video 13 min.)
Hoe teken ik een vraaglijn (video 9 min.)
Hoe teken ik een aanbodlijn (video 9 min.)
Vraag, aanbod en marktevenwicht (video 10 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)