LWEO

hoofdstuk 2

hoofdstuk 2

Moet de arbeidsparticipatie omhoog?

Een gedeelte van de potentiële beroepsbevolking (15 jaar tot de AOW-leeftijd) heeft geen inkomen uit arbeid. Sommigen hebben een uitkering. De mensen met een uitkering noemen we de inactieven. De actieven zijn de mensen met een betaalde baan.

   aantal inactieven  
i/a-ratio = ————————-  × 100
    aantal actieven  

 

In dit verhoudingsgetal wordt bij actieven uitgegaan van actieven met een volledige baan (arbeidsjaren) en bij inactieven van een volledige uitkering (uitkeringsjaren). Als het aantal inactieven toeneemt ten opzichte van het aantal actieven dan stijgt de i/a-ratio. Met name door een sterke groei van het aantal AOW’ers (de vergrijzing) zal de i/a-ratio stijgen. Een te hoge i/a-ratio kan de betaalbaarheid van de uitkeringen in gevaar brengen.
Oplossingen voor dit probleem zijn:
• Het totale bedrag dat voor uitkeringen nodig is kleiner maken door het aantal mensen dat recht heeft op een uitkering te beperken of de hoogte van de uitkering te verlagen.
• Het totale inkomen waarover belastingen en premies worden betaald vergroten door het aantal actieven te verhogen, bijvoorbeeld door de AOW-leeftijd te verhogen. Het kan ook door het verhogen van de productie per actieve. De productie kan toenemen door een toename van de arbeidsproductiviteit. Dit kan door scholing, technische ontwikkelingen of een betere arbeidsdeling en specialisatie.

links
Vergrijzing (video 3 min.)
Arbeidsproductiviteit (video 8 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)