Lesbrief Financiële Zelfredzaamheid havo (5e druk)

De lesbrief Financiële Zelfredzaamheid gaat over financiële zaken waarmee iedereen op korte of langere termijn te maken krijgt. Hoofdstuk 1 gaat over een beslissing die je over niet al te lange tijd gaat nemen: het wel of niet volgen van een studie. Hoofdstuk 1 gaat ook over verzekeringen. In de loop van je leven krijg je hopelijk te maken met het onderwerp sparen. Hierover gaat hoofdstuk 2. Op een gegeven moment wil je wellicht op jezelf gaan wonen. Hoofdstuk 3 gaat over het huren en kopen van een woning. Hoofdstuk 4 gaat over samenlevingsvormen zoals een samenlevingscontract en huwelijk. Bij het kopen van een woning wordt een hypothecaire lening afgesloten. Hoofdstuk 5 gaat in op de lineaire lening en annuïteitenlening. Hoofdstuk 6 gaat in op de verschillende vormen van consumptief krediet: de persoonlijke lening, het doorlopend krediet, huurkoop en koop op afbetaling. Ook private lease komt aan bod. In hoofdstuk 7 staat beleggen centraal.

Hoofdstuk 1

De toekomst

Het eerste hoofdstuk gaat over de keuze om wel of niet een studie te volgen. Als je kiest voor het volgen van een studie, is je inkomen de komende tijd laag. Als je ervoor kiest niet door te studeren, ga je werken en is je inkomen de komende tijd hoger.

Voor een individu is het wel of niet volgen van een studie een investeringsvraagstuk waar nu een prijs, en later een rendement, aan vast zit. Ook het belang van het volgen van een studie voor de samenleving komt aan bod in hoofdstuk 1.

Een andere keuze die mensen maken is wel of niet verzekeren. In dit hoofdstuk komen verschillende schade- en levensverzekeringen aan bod.

Begrip Omschrijving
Aansprakelijkheids-verzekering Is een verzekering die je beschermt tegen risico van aansprakelijkheid. Vergoedt zowel letselschade als zaakschade die door de verzekerde wordt veroorzaakt.
Inboedelverzekering Deze verzekering verzekert schade aan de inboedel door brand, water, inbraak of storm.
Levensverzekeringen Een levensverzekering zorgt ervoor dat je verzekerd bent tegen de financiële gevolgen van overlijden of van lang leven. Dit zijn alle verzekeringen die te maken hebben met leven, de dood en de uitvaart van een mens.
Lijfrenteverzekering Deze verzekering keert gedurende een bepaalde periode of levenslang telkens eenzelfde bedrag uit.
Opstalverzekering Een opstalverzekering is een verzekering die schade aan de woning zelf dekt, zoals schade door brand, storm of lekkage.
Overlijdensrisico-verzekering Een verzekering voor het risico op overlijden (vaak verplicht bij het afsluiten van een hypothecaire lening).
Reisverzekering Een verzekering die schade vergoed tijdens het reizen of vakantie.
Schadeverzekeringen Schadeverzekeringen stellen de verzekerde (gedeeltelijk) schadeloos bij het optreden van de onvoorziene financiële gevolgen van schade.
Uitvaartverzekering Verzekering ter dekking van de kosten van een begrafenis.
Zorgverzekering Deze verzekering is voor ziektekosten en is een verplichte verzekering.

Extra oefenopgaven (in Word)

Hoofdstuk 2

Sparen

Dit hoofdstuk gaat over sparen. Volgens een onderzoek van het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) uit 2024 spaart 88% van de Nederlanders. Zij zetten een deel van hun inkomen opzij in plaats van dat zij het inkomen direct uitgeven.

Sparen kan vrijwillig of verplicht zijn. Verplicht sparen doen alle werknemers via een pensioenfonds, vrijwillig sparen doe je bijvoorbeeld zelf op een spaarrekening.

Sparen levert interest op. Meestal is er bij sparen sprake van samengestelde interest, oftewel rente over rente. Het spaargeld groeit hierbij omdat de interest wordt berekend over het gestorte bedrag én de bijgeschreven interest uit eerdere jaren. Bij enkelvoudige interest wordt de interest alleen berekend over het gestorte bedrag.

In dit hoofdstuk leer je de eindwaarde en contante waarde van een spaarbedrag te berekenen. De eindwaarde is de waarde van een spaarbedrag in de toekomst. De contante waarde is het bedrag dat je nu op een spaarrekening moet storten als je in de toekomst een bepaald bedrag wilt hebben.

Begrip

Omschrijving

Bedrijfspensioen

Pensioen dat een werknemer opbouwt tijdens zijn werkzame leven. De ingelegde premie wordt betaald door de werknemer en werkgever.

Contante waarde

De waarde op dit moment van een bedrag in de toekomst, rekening houdend met samengestelde interest.

Eindwaarde

Het beginkapitaal plus alle opgebouwde interest.

Enkelvoudige interest

Bij enkelvoudig interest wordt de interest berekend over het oorspronkelijke kapitaal of de schuld in een bepaalde periode.

Inflatie

Stijging van het algemeen prijsniveau.

Nibud

Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting, onafhankelijk instituut dat voorlichting geeft over en onderzoek doet naar de huishoudportemonnee.

Niet vrij opneembare spaartegoeden

Spaartegoed dat gedurende een bepaalde – vooraf vastgelegde periode – op een bankrekening blijft staan.

Pensioenfonds

Instelling die pensioenpremies ontvangt, belegt en beheert en zorg draagt voor de uitkering aan gepensioneerden.

Samengestelde interest

Bij samengestelde interest wordt de interest berekend over de hoofdsom plus bijgeschreven interest uit eerder perioden (rente over rente).

Spaardeposito

Spaarvorm met een vaste looptijd en een vaste (enkelvoudige) interest. Gedurende de looptijd is het niet mogelijk om het spaargeld op te nemen. Is de looptijd korter dan één jaar dan spreekt men van termijndeposito.

Spaarrekening

Geld dat c


onsumenten en bedrijven bij een bank of als belegging hebben weggezet om later iets mee te kunnen doen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen vrij opneembare spaartegoeden en niet vrij opneembare spaartegoeden.

Vrij opneembare spaartegoeden

Een spaarvorm waarbij het spaartegoed direct ter beschikking staat van de spaarder.

Vrijwillig sparen

Een deel van het inkomen opzij zetten, bijvoorbeeld op een spaarrekening.

Extra oefenopgaven (in Word)

Hoofdstuk 3

Huren of toch kopen?

Een keuze waar je waarschijnlijk ook mee te maken krijgt in je leven is het kopen of huren van een woning. Dit hoofdstuk gaat over het kopen en het huren van een huis, wat de verschillen zijn tussen huren en kopen en met welke partijen je in elk van de gevallen te maken krijgt.

Bij het huren van een woning word je geen eigenaar van de woning. Wel heb je recht op huurbescherming en, tot een bepaald inkomen, huurtoeslag. Bij het kopen van een woning word je wél eigenaar van de woning. De voor- en nadelen hiervan komen aan bod in het hoofdstuk. Ook kijken we naar de verschillende partijen op de woningmarkt, zoals een notaris, makelaar en hypotheekadviseur. Bij de aankoop van een woning geeft een makelaar advies over de woning en de leefomgeving. De notaris legt in een akte het eigendom van de woning vast en het recht van hypotheek voor de bank. Via de hypotheekadviseur kan de woningkoper advies krijgen over hoe hij de woning met behulp van een hypothecaire lening kan financieren.

Begrip

Omschrijving

(On)afhankelijk adviseur

Iemand die adviezen geeft over de kosten, interestpercentage, aflossingsverplichtingen, looptijd, etc. van de verschillende hypotheekaanbieders. Een onafhankelijk adviseur geeft in zijn advies verschillende banken weer terwijl een afhankelijk adviseur, in opdracht van zijn werkgever, uitsluitend zijn eigen producten adviseert.

Advieskosten

Kosten die een hypotheekverstrekker in rekening brengt voor het (financiële) advies dat hij geeft omtrent een hypothecaire lening. Het advies geeft aan welke leningen het meest interessant is en welke verzekeringen er eventueel afgesloten moeten worden.

Akte van levering

Een schriftelijke verklaring opgesteld door een notaris waarin de koop en verkoop van een onroerend goed wordt opgenomen. Na ondertekening wordt hij ingeschreven in het Kadaster zodat vastligt wie de eigenaar is.

Autoriteit Financiële Markten (AFM)

Zij houdt toezicht op de financiële markten. Ze doet dit op diverse gebieden zoals sparen, beleggen, verzekeren, lenen en pensioenen

Huren

Het gebruiken van iets, bijvoorbeeld een woning, in ruil voor een vergoeding/betaling.

Huurbescherming

Wettelijke bescherming van huurders. Alleen met toestemming van de rechter kan de verhuurder de huurovereenkomst opzeggen.

Huurtoeslag

Een bijdrage van de overheid voor huurders met een lager inkomen, zodat zij hun huur makkelijker kunnen betalen.

Hypothecaire lening

Een langlopende lening met een onroerend goed als onderpand.

Hypotheekadviseur

Iemand die adviezen geeft over de kosten, interestpercentage, aflossingsverplichtingen, looptijd, etc. van de verschillende hypotheekaanbieders.

Hypotheekakte

Een schriftelijke verklaring opgesteld door een notaris waarin de koper van een woning een onderpand (onroerend goed) verstrekt aan de geldgever zodat de lening verstrekt wordt.

Kopen

Tegen betaling eigenaar worden van een product of dienst.

Makelaar

Iemand die bemiddelt of voor de verkopende partij of voor de kopende partij bij de koop of verkoop van onroerend goed.

Notaris

Openbaar ambtenaar, benoemd door de Koning en bevoegd tot het opmaken van authentieke akten.

Onroerend goed

Grond en alles wat vast aan de grond vastzit, zoals een woning, bedrijfspand of stuk landbouwgrond.

Sociale huur

Huurwoningen die aangeboden worden door woningcorporaties. Het gaat vaak om relatief goedkope woningen bestemd voor mensen met lage inkomens. Er geldt een maximale huurprijs. De overheid stelt de jaarlijkse huurverhoging vast.

Vrije sector huur

Huurwoningen die aangeboden worden door instellingen die gericht zijn op het maken van winst. De huurprijs is vrij zonder dat er een maximale huur geldt.

Extra oefenopgaven (in Word)

Hoofdstuk 4

Keuzes bij samenleven

Je krijgt te maken met het kiezen van een samenlevingsvorm als je gaat samenwonen met je partner. In dit hoofdstuk leer je welke verschillende samenlevingsvormen er zijn en wat de gevolgen daarvan zijn voor jullie financiën. Ook de gevolgen van het uit elkaar gaan bij de verschillende samenlevingsvormen komen in dit hoofdstuk aan bod.

Er zijn verschillende manieren om samen te leven. Je kunt samenwonen zonder samenlevingscontract, samenwonen met een samenlevingscontract of kiezen voor een geregistreerd partnerschap of trouwen (huwelijk). Bij samenwonen zonder samenlevingscontract zijn er geen afspraken over wie welke kosten betaalt en welke bezittingen en schulden van jullie samen zijn. Dit kan problemen opleveren als partners uit elkaar gaan. In een samenlevingscontract leg je afspraken over het samenwonen en de financiën vast.

De partners kunnen hun relatie voor de wet officieel maken door te kiezen voor een geregistreerd partnerschap of een huwelijk. Bij beide vormen kun je kiezen voor (beperkte) gemeenschap van goederen of voorwaarden.

Begrip

Omschrijving

Echtscheidingsconvenant

Een overeenkomst waarin de verdeling van de bezittingen, schulden, pensioenrechten, etc. worden vastgelegd.

Geregistreerd partnerschap

Wettelijk geregelde samenlevingsvorm die in vele opzichten gelijkwaardig is aan een huwelijk.

Huwelijk

Wettelijke verbintenis waarbij je rechten en plichten krijgt.

Kinderalimentatie

Een bijdrage van de niet-verzorgende ouder in de kosten van levensonderhoud van de kinderen.

Notaris

Openbaar ambtenaar, benoemd door de Koning en bevoegd tot het opmaken van authentieke akten.

Ouderlijk gezag

De ouders, die een huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, zijn wettelijk verantwoordelijk voor opvoeding en verzorging van kinderen.

Ouderschapsplan

Een document waarin ouders afspraken maken over de uitoefening van het ouderschap na de scheiding.

Partneralimentatie

Een bijdrage in het levensonderhoud van de ex-partner na een scheiding.

Partnerpensioen

Pensioen dat na overlijden wordt uitgekeerd aan de partner van de deelnemer aan het pensioenfonds.

Partnerschaps-voorwaarden

De voorwaarden bij een geregistreerd partnerschap waarin geregeld wordt welk deel van het vermogen en inkomen privé blijft of gemeenschappelijk wordt.

Samenwonen met samenlevingscontract

Je woont samen en hebt een contract opgesteld (onderhands of notarieel) over de verdeling van het vermogen, het inkomen, de kosten van levensonderhoud, etc.

Samenwonen zonder samenlevingscontract

Je woont samen maar juridisch gezien, heb je geen verplichtingen naar elkaar.

Scheiden

Het juridisch beëindigen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Scheidingsprocedure

De procedure voor het beëindigen van een echtscheiding.

Trouwen

Wettelijke verbintenis waarbij je rechten en plichten krijgt.

Trouwen onder huwelijkse voorwaarden

Trouwen waarbij een overeenkomst wordt opgesteld die de onderlinge verdeling van het vermogen, inkomen, schulden etc. regelt.

Trouwen/Geregistreerd partnerschap in beperkte gemeenschap van goederen

Dit betekent dat bezittingen en schulden van vóór het huwelijk van de partners zelf blijven. De bezittingen en schulden die tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn opgebouwd, zijn gemeenschappelijk.

Trouwen/geregistreerd partnerschap in gemeenschap van goederen

Dit betekent dat alle bezittingen en schulden, ook die van vóór het huwelijk, van de beide echtgenoten samen zijn

 

Extra oefenopgaven (in Word)

Hoofdstuk 5

Hypothecaire leningen

Dit hoofdstuk gaat over hypothecaire leningen. Een hypothecaire lening wordt afgesloten bij het kopen van een woning. Bij zo’n lening dient de woning als onderpand voor het terugbetalen (aflossen) van de lening en het betalen van de rente. Ook heeft de lener bij dit type lening een belastingvoordeel door de hypotheekrenteaftrek. Meer over het onderpand en de hypotheekrente leer je in dit hoofdstuk.

Twee hypotheekvormen waarmee je gaat rekenen zijn de lineaire lening en de annuïteitenlening. De lineaire lening is een lening waarbij de kredietnemer elke periode hetzelfde bedrag aan aflossing betaalt. De aflossing zorgt ervoor dat de schuldrest afneemt, zodat het rentebedrag steeds lager wordt. De annuïteitenlening is een lening waarbij de kredietnemer elke periode een vast bedrag, dat bestaat uit rente en aflossing, betaalt.

Begrip

Omschrijving

Aflossing

Het terugbetalen van een schuld.

Aflossingsplan

Geeft een overzicht van de schuld aan het begin en aan het einde van een periode, de aflossing in die periode en de interest die je in een bepaalde periode betaalt.

Annuïteitenlening

Een lening waarbij je iedere periode hetzelfde bedrag (= annuïteit) aan interest en aflossing betaalt.

Bank

Dienstverlenende instelling op financieel gebied, waar geld gespaard of geleend kan worden. Banken verkopen ook andere diensten, zoals verzekeringen.

Belastingvoordeel

Fiscaal voordeel of aftrekpost doordat je een korting krijgt op je belasting vanwege gemaakte kosten op het gebied van rente bij een hypothecaire lening, zorgkosten of giften aan ANBI-instellingen.

Bruto (hypotheek)uitgaven

Aflossing + interest

Fiscaal

Wat de belastingen betreft.

Geldnemer

Hij/zij die geld leent, een geldnemer is gelijk aan een kredietnemer.

Hypothecaire lening (krediet)

Langlopende lening met onroerend goed als onderpand. Als de geldnemer (de hypotheekgever) zijn betalingsverplichtingen niet nakomt dan mag de geldgever (hypotheeknemer) het onroerend goed verkopen en uit de opbrengst de lening aflossen.

Hypotheekgever

Geldlener en kredietnemer.

Hypotheeknemer

Geldgever en kredietgever.

Hypotheekrenteaftrek

Dit is de rente op een hypothecaire lening die in mindering mag worden gebracht op het inkomen waarover inkomensheffing betaald wordt.

Interestkosten

De vergoeding die betaald moet worden voor het lenen van geld.

Kredietnemer

Hij/zij die geld leent.

Lineaire lening

Een lening waarbij je iedere periode hetzelfde bedrag aflost.

Maanduitgaven

Aflossing + interest

Netto (hypotheek)uitgaven

Aflossing + interest – belastingvoordeel

Onroerend goed

Grond en alles wat vastzit aan de grond, zoals een woning, bedrijfspand of stuk landbouwgrond.

Recht van hypotheek

Wanneer de hypotheekgever (geldlener) niet aan zijn interest- en/of aflossingsverplichtingen voldoet, kan de hypotheeknemer (geldgever) zijn recht van hypotheek uitoefenen. Het onderpand wordt dan gedwongen verkocht door de hypotheeknemer.

Taxateur

Een onafhankelijk persoon die de waarde van een pand bepaalt.

Extra oefenopgaven (in Word)

Hoofdstuk 6

Consumptieve kredieten

Een lening sluit je af wanneer je onvoldoende financiële middelen hebt. De geldnemer (kredietnemer) moet het bedrag van de lening op een later tijdstip terugbetalen. Ook moet hij een vergoeding voor het lenen van het geld, rente, betalen aan de geldgever (kredietgever). Dit hoofdstuk gaat in op consumptieve kredieten: leningen die worden afgesloten door consumenten om (duurzame) producten te kopen zoals een auto, meubels of elektronica. Vormen van persoonlijke leningen zijn de persoonlijke lening, het doorlopend krediet, rood staan, huurkoop, koop op afbetaling en leasen. Als je zo’n lening afsluit, wordt de lening geregistreerd bij het Bureau Kredietregistratie (BKR).

Begrip

Omschrijving

Aflossing

Het terugbetalen van een schuld, in één of meer termijnen.

Annuïteit

Een periodiek gelijkblijvend bedrag dat bestaat uit een interestdeel en een aflossingsdeel.

BKR

Bureau Kredietregistratie, bureau waar leningen en betalingsachterstanden geregistreerd worden.

Consumptief krediet

Een consumptief krediet is een door de consument afgesloten lening voor consumptieve doeleinden zoals het kopen van een fiets of auto maar ook om te voorzien in het levensonderhoud.

Doorlopend krediet

Een kredietvorm waarbij met de kredietnemer wordt overeengekomen tot welk bedrag (de kredietlimiet) deze naar behoefte geld kan opnemen.

Huurkoop

Huurkoop is een manier van kopen van een product door middel van gespreide betalingen ook wel termijnen genoemd. De koper is pas eigenaar na betaling van de laatste termijn,

Interest

Vergoeding die betaald wordt voor een lening / opbrengst voor spaargeld. Wordt ook wel rente genoemd.

Koop op afbetaling

Koop op afbetaling is een manier van kopen van een product door middel van gespreide betalingen. De koper is vanaf het begin eigenaar van het product.

Kredietgever

Hij/zij of de bank die geld uitleent.

Kredietkosten

De kosten van een krediet of lening zoals interestkosten, administratiekosten, verzekeringskosten, etc.

Kredietlimiet

Het maximale bedrag dat je bij een doorlopend krediet kunt lenen (rood staan).

Kredietnemer

Hij/zij die geld leent, een kredietnemer is gelijk aan een geldnemer.

Persoonlijke lening

Een kredietvorm waarbij de kredietnemer een bedrag in één keer ontvangt om een aankoop te betalen.

Private lease

Private lease is het huren van een object tegen betaling van een vast tarief. Het tarief is vaak inclusief verzekeringen, belasting en onderhoud. Deze vorm van (operational) leasing is mogelijk voor consumenten.

Extra oefenopgaven (in Word)

Hoofdstuk 7

Beleggen

Beleggen kan een interessante manier zijn om je geld voor later te laten groeien, bijvoorbeeld voor een grote aankoop of voor je pensioen. Beleggen brengt meer risico met zich mee dan sparen. Daar tegenover staat dat je kans hebt op een hoger rendement (winst).

Beleggen kan in verschillende vermogenstitels, bijvoorbeeld in aandelen, obligaties of een beleggingsfonds. In dit hoofdstuk leer je hoe het beleggen in aandelen, obligaties en een beleggingsfonds werkt en hoe je de winst van een belegging berekent.

Een aandeel is een eigendomsbewijs van een onderneming. Je hebt recht op een deel van de winst van het bedrijf en je mag deelnemen aan de vergadering van aandeelhouders. In dit hoofdstuk komen ook de begrippen nominale waarde, emissiekoers en beurskoers aan bod.

Een obligatie is een schuldbewijs. Een belegger koopt daarmee eigenlijk een klein stukje van een grote lening die een bedrijf of de overheid uitgeeft. Een obligatie werkt als een lening: er wordt (enkelvoudige) interest betaald aan de obligatiehouder, er is een looptijd en aan het einde wordt het geleende bedrag afgelost.

Tot slot komt het beleggen in een beleggingsfonds aan bod. Hierbij wordt het geld van veel beleggers verzameld en in een mix van verschillende soorten beleggingen gestopt.

Begrip

Omschrijving

Aandeelhouders

Personen of organisaties die één of meer aandelen bezitten in een bv of nv en daardoor mede-eigenaar zijn van die onderneming.

Aandelen

Eigendomsbewijzen in een onderneming.

Beleggen

Aanschaffen van activa met als doel niet de productie van goederen en diensten maar het behalen van beleggingsrendement en van waardestijgingen van de activa.

Beleggingsfonds

Een instelling die de inleg van een groot aantal beleggers verzamelt en deze belegt in effecten, vastgoed, etc.

Besloten vennootschap

Een rechtspersoon waarbij het kapitaal is verdeeld in aandelen die niet vrij verhandelbaar zijn.

Beurskoers

De prijs waartegen effecten op de beurs verhandeld worden. Deze koers wordt bepaald door vraag en aanbod.

Couponrente

Het interestpercentage over de nominale waarde van een obligatie.

Dividend

Een winstuitkering van een bv of nv aan de aandeelhouders.

DNB

DNB (De Nederlandsche Bank) is de centrale bank van Nederland (toezichthouder)

Effecten

Verzamelnaam voor waardepapieren die verhandeld worden op de beurs, zoals aandelen en obligaties.

Effectenbeurs

Plaats waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten en waar de prijs, de koers van een aandeel en obligatie tot stand komt.

Eigendomsbewijs

Aandeel.

Emissiekoers

De prijs die aandeelhouders betalen aan een onderneming die op de primaire markt aandelen uit portefeuille verkoopt. De emissiekoers bestaat uit nominale waarde en agio.

Koersresultaat

Het verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers van een aandeel of obligatie.

Koersverloop

De schommeling van de prijs van effecten uitgedrukt in een grafiek.

Kredietwaardigheid

De mate waarin bedrijven (landen) in staat zijn om hun schulden terug te betalen.

Looptijd

Periode waarbinnen een schuld afgelost moet worden. Deze wordt gemeten vanaf het moment van afsluiting van de lening tot de laatste aflossingstermijn.

Marktrente

De actuele rente op een bepaald moment.

Naamloze vennootschap

Een rechtspersoon waarbij het kapitaal is verdeeld in aandelen die vrij verhandelbaar kunnen zijn (op een effectenbeurs).

Nominale waarde

De waarde die op een aandeel of obligatie staat.

Obligatielening

De totale waarde van alle uitgegeven obligaties ontvangen door een onderneming, dat aan het einde van de looptijd weer terugbetaald moet worden.

Obligaties

Schuldbekentenissen. Documenten waarop staat dat je geld hebt uitgeleend aan een organisatie.

Rendement

De opbrengst van een belegging of investering over een bepaalde periode uitgedrukt in een percentage van de inleg of de daarvoor gemaakte kosten.

Risico

Onzekere gebeurtenis die kan leiden tot een negatieve uitkomst, kans op schade maal de schade.

Transactiekosten

Kosten die ontstaan bij het tot stand brengen van een (ruil-) transactie zoals vervoerskosten, verzekeringskosten, onderhandelingskosten, informatiekosten, etc.

Vermogenstitels

In vermogenstitels, zoals obligaties en aandelen, kan belegd worden. Vermogenstitels worden verhandeld op de effectenbeurs worden vermogenstitels verhandeld.

Winstverwachting

Een voorspelling van de winst door een onderneming voor de komende periode. Het kan gaan om een positieve (of negatieve) ontwikkeling van de winst.

Extra oefenopgaven (in Word)