Lesbrief Geldzaken (3e druk)
Wat weet je van geld? Dat het plezierig is als je er veel van hebt. Dat je er dagelijks mee omgaat en dat je het steeds minder op zak hebt, want in plaats van geld gebruik je steeds vaker je pinpas of je telefoon om te betalen. Sommigen zien geld als de wortel van alle kwaad, als het slijk der aarde. Maar economen zijn zich ervan bewust dat het wel heel lastig wordt om te ruilen zonder geld. En zonder ruil geen arbeidsverdeling en zonder arbeidsverdeling geen moderne producten, zoals iPads, smartphones en laptops.
links
Money as Dept (video 10 min.)
Prijsstabiliteit ECB (video 8 min.)
Geldschepping (video 3 min.)
De dag dat de dollar valt (video 50 min.)
The History of Money (video 11 min.)

Hoofdstuk 1
Wat is geld?
Geld vervult de functies van rekeneenheid, ruilmiddel (betaalmiddel) en spaarmiddel. Munten en bankbiljetten worden chartaal geld genoemd. Het zijn wettige betaalmiddelen die algemeen geaccepteerd zijn. Giraal geld is geld dat op een bankrekening (betaalrekening, rekening-courant) staat. Omdat giraal geld niet tastbaar is wordt het ook wel onstoffelijk geld genoemd. De maatschappelijke geldhoeveelheid is al het chartale en girale geld in handen van het publiek. Met spaargeld kun je niet betalen, dus hoort het niet bij de maatschappelijke geldhoeveelheid. Door technologische ontwikkelingen doen nieuwe betaalmethoden hun intrede.
In de laatste decennia heeft een aantal nieuwe betaalvormen hun intrede gedaan zoals betalen met de pinpas, de creditcard en het elektronisch bankieren.
Een ander alternatief zijn de zogenaamde cryptovaluta. De bekendste is de bitcoin.
Er zijn ook alternatieven voor geld. In kleine kringen worden daarom dingen gedeeld en geruild, de zogenaamde deeleconomie.
| beleggen |
Het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met als doel een opbrengst te verkrijgen. |
| betaalrekening | Zie rekening-courant. |
| bitcoin |
Een digitale munteenheid (cryptomunt) die via een netwerk wordt verstuurd en een bepaalde waarde heeft. |
| bubbel |
De nominale waardestijging van munten of andere goederen die niet meer in verhouding staat tot de reële waarde. |
| chartaal geld | Munten en bankbiljetten. |
| cryptovaluta |
Gecreëerde digitale munten waarmee betaald kan worden bij aangesloten bedrijven. Ze worden door mensen ontworpen en kunnen worden ‘gemined’, gewonnen door computerkracht in te zetten. |
| deeleconomie | Tegen een geringe vergoeding spullen van elkaar gebruiken. |
| giraal geld |
Tegoeden van klanten bij banken in de vorm van een betaalrekening (rekening-couranttegoed). Je kunt op verschillende manieren giraal betalen: met een overschrijvingskaart, met een elektronische overschrijving, met een pinpas of met een creditcard. |
| maatschappelijke geldhoeveelheid |
Het chartale en girale geld in handen van het publiek. |
| rekening-courant | (= betaalrekening) Bankrekening waar je geld op stort waarover je direct kunt beschikken en waarmee je giraal kunt betalen. |
| rekenmiddel |
Functie van geld: de waarde van verschillende goederen kan met elkaar vergeleken worden. |
| ruilmiddel |
Functie van geld: je kunt ermee betalen. |
| spaarmiddel | Functie van geld: je kunt het bewaren. |
| spaarrekening |
Geld dat consumenten en bedrijven bij een bank of als belegging hebben weggezet om later iets mee te kunnen doen. Met spaargeld kun je niet rechtstreeks betalen en het hoort niet bij de maatschappelijke geldhoeveelheid. |
| speculeren |
Het kopen van waardepapieren of goederen om deze tegen een hogere prijs te verkopen. |
Hoofdstuk 2
Het ontstaan van Geld en Banken
Als ruilmiddel werden onder andere zout en schelpen gebruikt en uiteindelijk munten van goud of zilver. Later kwamen er munten met een intrinsieke waarde die lager is dan de nominale waarde. Dit is een voorbeeld van fiduciair geld: geld dat gebaseerd is op vertrouwen.In de late middeleeuwen ontstond het bankbiljet. Kooplieden gaven hun gouden munten bij goudsmeden in bewaring en kregen daarvoor een ontvangstbewijs met daarop de waarde van het edelmetaal dat in bewaring was gegeven. Omdat de gouden munten nooit volledig worden opgevraagd, kon de goudsmit een groter bedrag aan ontvangstbewijzen uitgeven dan het goud dat hij beheerde. Hij verleende krediet. Deze kredietverlening leidde tot een forse stijging van de geldhoeveelheid.
Het vertrouwen van het publiek in de banken is van groot belang. Wordt het vertrouwen geschaad, dan kan een bankrun ontstaan.
Een bank kan alleen extra geld scheppen als zijn balans dat toestaat. Er moeten liquide middelen (kas + tegoed DNB) beschikbaar zijn als de klant een deel van het geld contant wil opnemen.
|
kas + tegoed bij DNB |
||
|
liquiditeitspercentage = |
————————— |
× 100% |
|
rekening-couranttegoeden |
Een bank moet ook aan de solvabiliteitseis voldoen.
|
eigen vermogen |
||
|
solvabiliteitspercentage = |
————— |
× 100% |
|
vreemdvermogen |
| arbeidsdeling | (= arbeidsverdeling) Het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden vergroot. |
| bankrun | Situatie waarin veel mensen tegelijk hun geld van een bank willen opnemen omdat zij er geen vertrouwen meer in hebben dat hun (spaar)geld bij de bank in veilige handen is. |
| dekkingsmiddel | Munten en bankbiljetten die de banken in voorraad moeten hebben voor het geval mensen hun tegoed opvragen. |
| De Nederlandsche Bank (DNB) | De centrale bank van Nederland. DNB is uitvoerder van het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB). |
| depositogarantiestelsel | De garantie dat een deel van het door klanten gespaarde vermogen wordt terugbetaald bij een faillissement van een bank. |
| directe ruil | (= ruil in natura) Ruil waarbij goederen zonder tussenkomst van geld rechtstreeks geruild worden tegen goederen. |
| Europese Centrale Bank (ECB) | Centrale bank voor de landen die de euro als munt hebben. Is verantwoordelijk voor de uitgifte van euromunten en bankbiljetten. |
| fiduciair geld | Geld dat aanvaard wordt doordat men vertrouwen heeft dat er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden. |
| girale kredieten | Banken scheppen giraal geld, waarbij chartaal geld als dekkingsmiddel fungeert. In de praktijk worden girale tegoeden niet volledig gedekt door chartaal geld, omdat slechts een klein deel van de tegoeden als kasgeld wordt opgevraagd. |
| indirecte ruil | Goederen worden geruild tegen geld. |
| intrinsieke waarde | Materiaalwaarde van een munt. |
| kredietverlening | Het uitlenen van chartaal of giraal geld door een bank. |
| liquide middelen | Munten en bankbiljetten. Bij een bank: de kas (chartaal geld) en het tegoed op de rekening bij DNB. |
| liquiditeitspercentage | De verhouding tussen liquide middelen en de rekening-couranttegoeden bij banken. In formulevorm: |
| nominale waarde | Waarde die op een munt of een bankbiljet vermeld staat. |
| solvabiliteitspercentage | De verhouding tussen eigen middelen (eigen vermogen) en de schulden in de nabije toekomst bij banken. In formulevorm: |
| wederzijdse schuldaanvaarding | Een girale lening waarbij de bank geld stort op de rekening van de cliënt, die dat geld in de toekomst weer moet terugbetalen. Beide partijen hebben een verplichting. |
Hoofdstuk 3
Hoeveel kunnen we kopen van ons geld?
Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil in het land.
Het gevolg van inflatie is dat het geld reëel minder waard wordt: met hetzelfde bedrag aan geld kun je door inflatie minder kopen dan voorheen.
Economen onderscheiden twee soorten oorzaken van inflatie. Prijsstijgingen kunnen veroorzaakt worden door vraagfactoren (bestedingsinflatie) en aanbodfactoren (kosteninflatie). Als de bestedingen stijgen tot boven de grens van de productiecapaciteit ontstaat er bestedingsinflatie: de prijzen gaan dan omhoog. Als ondernemers hogere productiekosten doorberekenen in hun prijzen spreken we van kosteninflatie. Het algemeen prijspeil kan stabiel blijven, stijgen of dalen. Een daling van het algemeen prijsniveau, deflatie, komt niet vaak voor.
In de westerse landen zijn inflatiepercentages van enkele procenten per jaar gebruikelijk. Bij zo’n lichte stijging van het prijsniveau noemen we de prijzen stabiel. Bij extreem hoge prijsstijgingen, 100% en een veelvoud daarvan, spreken we van hyperinflatie.
| bestedingsinflatie |
Prijsstijging die ontstaat als de bestedingen groter worden dan de productiecapaciteit. |
| budgetonderzoek |
Onderzoek naar de bestedingsgewoonten van een modaal gezin. |
| Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) |
Instituut dat gegevens verzamelt over de Nederlandse economie. |
| consumentenprijsindexcijfer (CPI) |
Maatstaf voor inflatie. De CPI geeft aan hoeveel procent de kosten van levensonderhoud in een jaar hoger zijn dan in het basisjaar. |
| deflatie | Daling van het algemeen prijsniveau. |
| hyperinflatie | Extreem hoge prijsstijgingen. |
| inflatie |
Stijging van het algemeen prijsniveau. |
| koopkracht van het geld |
De hoeveelheid goederen en diensten die je met geld kunt kopen. |
| kosteninflatie |
Inflatie door het doorberekenen van hogere productiekosten in de prijzen. |
| waardevast |
Uitkeringen zijn waardevast als ze met hetzelfde percentage stijgen als het inflatiepercentage. |
Hoofdstuk 4
De wisselkoers van de euro
De wisselkoers is de prijs van een munt, uitgedrukt in een andere munt. De wisselkoers van de euro is bijvoorbeeld €1 = $ 1,15. Een stijging van de wisselkoers noemen we een appreciatie, een daling een depreciatie. De hoogte van de wisselkoers wordt bepaald door vraag en aanbod van de munt op de valutamarkt.Een verandering van de wisselkoers heeft gevolgen voor inflatie, internationale handel, productie en werkgelegenheid. Een daling van de eurokoers maakt Eurolandse producten goedkoper voor andere landen. De export zal dan toenemen en daarmee de Eurolandse productie en werkgelegenheid. Ee koersdaling zal buitenlandse producten duurder maken, waardoor de inflatie stijgt. Het omgekeerde geldt bij een stijging van de eurokoers.
| appreciatie |
Stijging van de koers van een valuta doordat op de valutamarkt de vraag naar die valuta groter is dan het aanbod ervan. |
| depreciatie |
Daling van de koers van een valuta doordat op de valutamarkt het aanbod van de valuta groter is dan de vraag ernaar. |
| valutamarkt |
Het geheel van vraag naar en aanbod van buitenlandse munten. |
| wisselkoers | De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt. |