Lesbrief Vraag en Aanbod (3e druk)

Elke markt bestaat uit een vraagkant en een aanbodkant.
Deze lesbrief geeft een overzicht van verschillende soorten markten. De kledingmarkt is een voorbeeld van een goederenmarkt. Eerst belichten we de vraagkant, dat is de kopers kant. We onderzoeken het gedrag van consumenten bij het kopen van een spijkerbroek. Waar letten zij op bij de aankoop?
Bij de aanbodkant is het belangrijk te weten waarvan die afhankelijk is. Spijkerbroeken kunnen pas worden aangeboden (of verkocht), als ze gefabriceerd zijn. Deze productie gaat gepaard met kosten. Opbrengsten en kosten bepalen het resultaat: winst of verlies. Die informatie staat in de resultatenrekening van een bedrijf. De balans biedt inzicht in de omvang en samenstelling van de productiemiddelen en bezittingen van een bedrijf en hoe die zijn gefinancierd: met eigen geld of geleend geld. Geleend geld is een schuld die terugbetaald moet worden.

Vervolgens worden vraag en aanbod met elkaar geconfronteerd. Het marktmechanisme zorgt voor een prijs, waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn en er een marktevenwicht ontstaat. Maar vraag en aanbod kunnen aan veranderingen onderhevig zijn en dat heeft effect op de prijs.
Tot slot bekijken we twee andere soorten markten: de arbeidsmarkt en de vermogensmarkt.

Hoofdstuk 1

Markten

Bij een markt denk je vaak aan een weekmarkt of veiling. Dat zijn concrete markten. Op een concrete markt komen vragers en aanbieders op bepaalde tijden direct met elkaar in contact. Bij een abstracte markt gaat het om het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product. Er is geen plaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten. Een abstracte markt is bijvoorbeeld de oliemarkt, de automarkt of de markt voor sinaasappels. Een abstracte markt is vaak opgebouwd uit een aantal kleine concrete markten.

Een markt brengt de vragers en aanbieders van een product bij elkaar. Een belangrijke functie van een markt is prijsvorming: op een markt komt een bepaalde prijs tot stand. In Nederland onderzoekt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aan welke producten Nederlanders (de vragers) hun geld uitgeven. Deze uitgaven vormen voor de aanbieders de omzet.
De omzet is te berekenen met de formule: Omzet = verkoopprijs × afzet = P × q.

links
Concrete en abstracte markt (video 5 min.)

Begrippenlijst hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

De vraagkant

Verschuiving over of langs de vraaglijn
Een (collectieve) vraaglijn geeft het verband weer tussen de prijs van een product en de vraag naar dat product. Dit op voorwaarde dat alle andere factoren die van invloed zijn op de vraag naar het product zoals het inkomen, de prijs van andere producten, de voorkeur, etc. niet veranderen. Dat de andere factoren die de vraag beïnvloeden constant blijven, noemen we de ceteris paribus voorwaarde. Als de prijs van een product verandert, verandert de vraaglijn niet. Er vindt dan een verschuiving plaats over (langs) de vraaglijn. Er is daarbij sprake van een negatief verband. Als de prijs stijgt, daalt de vraag en als de prijs daalt, stijgt de vraag.

Verschuiving van de vraaglijn
Als de voorkeur naar een bepaald product toeneemt, als het inkomen stijgt, als de prijzen van andere producten (substituten) stijgen, verschuift de (collectieve) vraaglijn van dat product naar rechts. Als de voorkeur naar een bepaald product afneemt, als het inkomen daalt, als de prijzen van andere producten (substituten) dalen, verschuift de (collectieve) vraaglijn van dat product naar links.  De collectieve vraaglijn is samen te stellen uit meerdere individuele vraaglijnen door bij elke prijs de individuele hoeveelheden op te tellen (horizontaal optellen). VenAh2collvrl Bij prijzen hoger dan € 80 geldt alleen het hellingsgetal van de lijn van Ilse omdat Sanne dan geen vrager is. De collectieve vraagfunctie is samen te stellen uit meerdere individuele vraagfuncties door de individuele vraagfuncties bij elkaar op te tellen. Let er hierbij wel goed op dat de knik die daardoor (meestal) in de collectieve vraaglijn ontstaat, ook tot uitdrukking moet komen in de collectieve vraagfunctie. Prijselasticiteit van de vraag De prijselasticiteit van de vraag (Ev) geeft aan in welke mate de vraag reageert op een prijsverandering. Ev wordt als volgt berekend:

Ev = prijselasticiteit van de vraag

Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid (gevolg)
Ev = —————————————————————————————–
Procentuele verandering van de prijs (oorzaak)

Ev is over het algemeen een negatief getal, omdat de gevraagde hoeveelheid daalt als de prijs stijgt en stijgt als de prijs daalt. Met de prijselasticiteit van de vraag kunnen de gevolgen van prijsveranderingen voor de afzet en de omzet berekend worden.

-1< Ev < 0 inelastische vraag
Ev = 0 de vraag reageert helemaal niet op een prijsverandering: bijv. bij medicijnen
Ev < -1 elastische vraag

Wel of niet prijsgevoelig
De prijsgevoeligheid van de vraag is afhankelijk van: – het feit of er substituten zijn, dit wil zeggen alternatieve goederen. Als er substituten zijn zullen vragers bij een prijsverhoging van een bepaald product het substituut (alternatief) kiezen. Ze reageren in dat geval sterk op een prijsverandering: dus hoge prijselasticiteit. – de termijn waarop je dit bekijkt. Op korte termijn heb je niet altijd een alternatief, op lange termijn wel. Gevolg is dat de prijselasticiteit op korte termijn lager is dan op langere termijn. – Het soort goed. Primaire goederen (brood, water, kleding) zijn minder elastisch dan luxe goederen.

Prijselasticiteit en omzet

Een dubbele pijl betekent een sterke reactie.

Kruislingse prijselasticiteit
De kruislingse prijselasticiteit van de vraag geeft weer hoe sterk de vraag naar het ene goed reageert op een prijsverandering van een ander goed.

Ek = kruislingse prijselasticiteit

Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van een product
Ek = —————————————————————————————————
Procentuele verandering van de prijs van een ander product

Bij substitutiegoederen, dat zijn goederen die elkaar kunnen vervangen, is Ek positief. Bij complementaire goederen, dat zijn goederen die elkaar aanvullen, is Ek negatief.

Inkomenselasticiteit Ey = inkomenselasticiteit

Procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
Ey = ———————————————————————————–
Procentuele verandering van het besteedbaar inkomen

Normale goederen hebben een positieve inkomenselasticiteit, dat wil zeggen dat bij een hoger inkomen de gevraagde hoeveelheid naar dat goed stijgt. Luxe goederen hebben vaak een drempelinkomen. Ze worden pas vanaf een bepaald inkomen aangeschaft. Bij de meeste goederen is er sprake van een verzadigingsinkomen. Vanaf een bepaald inkomen leidt een inkomensstijging niet meer tot een toename van de gevraagde hoeveelheid. Goederen met een negatieve inkomenselasticiteit zijn inferieure goederen. Het zijn goederen die bij een hoger inkomen vervangen worden door goederen van betere kwaliteit of met een beter imago.

links
Vraaglijn (video 1 min.)
Hoe teken ik een vraaglijn? (video 9 min.)
Inkomenselasticiteit (video 9 min.)
Prijselasticiteit deel 1 (video 6 min.)
Prijselasticiteit deel 2 (video 5 min.)
Prijselasticiteit deel 3 (video 5 min.)
Prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid deel 1 (video 9 min.)
Prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid deel 2 (video 4 min.)
Verschuivingen over de vraaglijn en van de vraaglijn (video 8 min.)

Begrippenlijst hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

De kostenkant

Specialisatie, parallellisatie, verticale integratie en differentiatie
In een bedrijfskolom staan de opeenvolgende schakels tussen grondstof en eindproduct. Als een bedrijf actief is in meerdere bedrijfskolommen heet dat parallellisatie. Als een bedrijf zich richt op een klein onderdeel van de branche, bijvoorbeeld een schoenenfabriek die alleen nog maar kinderschoenen produceert, heet dat specialisatie. Het is ook mogelijk dat één bedrijf meerdere schakels uit een bedrijfskolom omvat. Er is dan sprake van (verticale) integratie. Als een bedrijf een productiefase afstoot is dat differentiatie. Integratie kan zekerheid opleveren, omdat de afhankelijkheid van leveranciers kleiner wordt. Daarnaast kan het de transactiekosten verminderen. Er hoeft nu niet meer onderhandeld te worden over contracten, leveringsvoorwaarden en prijs.

Constante kosten en variabele kosten
Constante kosten of vaste kosten zijn kosten die niet veranderen als de productie verandert. Alle constante kosten samen zijn de totale constante kosten (TCK). De kosten die wel veranderen als de productie verandert, noemen we de variabele kosten. Alle variabele kosten samen zijn de totale variabele kosten (TVK). Wanneer een fabrikant zijn productie verhoogt dalen de gemiddelde constante kosten (GCK). Bij proportioneel variabele kosten stijgen de totale variabele kosten bij een toename van de productie maar blijven de gemiddeld variabele kosten (GVK) gelijk. De totale kosten zijn gelijk aan de totale variabele kosten plus de totale constante kosten (TK = TVK + TCK). De gemiddelde totale kosten zijn gelijk aan de gemiddelde variabele kosten plus de gemiddelde constante kosten (GTK = GVK + GCK).

Proportioneel, degressief en progressief variabele kosten
Bij proportioneel variabele kosten zijn de marginale kosten gelijk aan de gemiddeld variabele kosten. Bij degressief variabele kosten dalen de gemiddeld variabele kosten bij toename van de productie (kortingen) en bij progressief variabele kosten stijgen de gemiddeld variabele kosten bij een toename van de productie (overwerk).

Maximale winst
De break-evenafzet (BEA) is die afzet (aantal, stuks) waarbij een onderneming quitte speelt. Dit wil zeggen dat de opbrengst gelijk is aan de totale kosten. De winst is dus nul. De break-evenomzet (BEO) is gelijk aan de break-evenafzet maal de verkoopprijs. De marginale opbrengst (MO) is de opbrengst van de laatst verkochte eenheid. De marginale kosten (MK) zijn de kosten van de laatst geproduceerde eenheid. Zolang MO groter is dan MK neemt de winst toe als de productie toeneemt. Omgekeerd neemt de winst af zodra MK groter is dan MO.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) houden bedrijven rekening met de drie p’s: people, planet, profit.
• People
Hierbij gaat het zowel om het eigen personeel, hoe is de medezeggenschap geregeld, hoe is de man-vrouwverhouding, worden er minder valide arbeidskrachten en langdurig werklozen te werk gesteld, als om de mensen buiten het bedrijf zoals de behartiging van de mensenrechten, kinderarbeid, omkoping en fraude en het armoedevraagstuk.
• Planet
De gevolgen van de productie voor het milieu staan centraal. Wordt er milieuvriendelijk geproduceerd, is er sprake van duurzame technologische ontwikkelingen en worden afgedankte producten gerecycled.
• Profit
Op welke manier wordt winst gemaakt en wat wordt er met de winst gedaan.

Duurzaam produceren
Bij bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen, gaat duurzaamheid van produceren voor de winstgevendheid op korte termijn. Duurzaam produceren betekent dat de productie van nu niet ten koste gaat van de productiemogelijkheden in de toekomst.

links
Arceren van de maximale totale winst (video 6 min.)
Algebraïsch berekenen van de maximale totale winst (video 8 min.)
Kosten en opbrengsten (video 15 min.)
Kosten en opbrengsten (video 9 min.)
Kosten en opbrengsten in formules en grafieken (video 12 min.)
Break-evenpunt (video 9 min.)
Uitleg verzonken kosten en berovingsprobleem (video 8 min.)
Fair Trade (www.fairtradeoriginal.nl)
Schone kleren campagne (www.schonekleren.nl)
Triodos (www.triodos.nl)

Begrippenlijst hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

De aanbodkant

Het aanbod
Het (collectieve) aanbod is afhankelijk van de prijs en van andere factoren zoals het aantal aanbieders, de productiekosten, de heffingen door de overheid, etc.
De (collectieve) aanbodlijn of aanbodfunctie geeft het verband weer tussen de prijs en de hoeveelheid goederen die producenten tegen die prijs willen aanbieden. Ook hierbij geldt de ceteris paribus voorwaarde: de relatie tussen het aanbod en de prijs kan pas vastgesteld worden als alle andere factoren die van invloed zijn niet veranderen.

Verschuiving over of langs de aanbodlijn en verschuiving van de aanbodlijn.
Als de prijs van een product verandert, vindt er een verschuiving plaats over of langs de aanbodlijn. In dit geval is er sprake van een positief verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid. Stijgt de prijs dan zal er meer aangeboden worden, daalt de prijs dan wordt er minder aangeboden.
De aanbodlijn verschuift naar links (boven) of naar rechts (onder) als de andere factoren die van invloed zijn op het aanbod veranderen. Zo zullen door een prijsstijging van katoen de kosten voor het maken van spijkerbroeken toenemen. Bij een gegeven prijs zullen minder fabrikanten spijkerbroeken aanbieden. De kosten zullen voor een aantal fabrikanten dan hoger zijn dan de opbrengsten. De aanbodlijn verschuift in dit geval naar links (boven). Omgekeerd zal het aanbod van spijkerbroeken toenemen als katoen goedkoper wordt aangeboden. De aanbodlijn verschuift dan naar rechts (onder).

Prijselasticiteit van het aanbod

Procentuele verandering van de aangeboden hoeveelheid (gevolg)
Ea = ——————————————————————————————-
Procentuele verandering van de verkoopprijs (oorzaak)

De prijselasticiteit van het aanbod is altijd positief. Een hogere prijs leidt tot een groter aanbod. Is de prijselasticiteit van het aanbod kleiner dan 1, dan is het aanbod prijsinelastisch. Bij een waarde groter dan 1 is het aanbod prijselastisch. Op lange termijn is het aanbod elastischer dan op korte termijn.

De balans
De balans geeft een overzicht van de bezittingen en het vermogen op een bepaald moment. De bezittingen, ook wel activa genoemd, staan links op de balans. Het vermogen of de passiva, staan rechts. Op de balans staan voorraadgrootheden, want ze worden geregistreerd op een bepaald tijdstip. De activa worden onderscheiden in vaste, vlottende en liquide activa. Vaste activa zijn bezittingen die langer dan een jaar meegaan. De vlottende activa gaan korter dan een jaar mee. Liquide activa zijn geld in de kas en geld op een bankrekening bij een bank. Aan de vermogenskant (passiefzijde) wordt er onderscheid gemaakt tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden). Vreemd vermogen wordt onderscheiden in lang en kort vreemd vermogen. Lang vreemd vermogen betreft leningen met een looptijd langer dan een jaar. Kort vreemd vermogen is geleend geld dat binnen een jaar terug betaald moet worden.

De resultatenrekening
De resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten (omzet) en de kosten in een bepaalde periode (vaak één jaar). Opbrengsten en kosten zijn periodegrootheden. De omzet min alle kosten geeft de winst in een bepaalde periode.

Ondernemingsvormen
De vier belangrijkste rechtsvormen voor bedrijven zijn de eenmanszaak, de vennootschap onder firma (vof), de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv).
• Eenmanszaak
Kenmerkend voor de eenmanszaak is het feit dat deze geleid wordt door één persoon die tevens eigenaar is van het bedrijf. Daarnaast is er geen scheiding van privévermogen en het vermogen van de onderneming. Dit betekent dat de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf. Kan het bedrijf haar schulden niet betalen, dan wordt het privévermogen (huis, auto, etc.) van de eigenaar aangesproken. Veel kleine bedrijven zijn eenmanszaken die geen personeel in dienst hebben. We spreken in dat geval van zelfstandigen zonder personeel (zzp’er).
• Vennootschap onder firma
Wanneer enkele zelfstandigen willen samenwerken, bijvoorbeeld omdat ze samen een groter vermogen bij elkaar kunnen brengen, dan kunnen ze dat doen in de vorm van een vennootschap onder firma. De betrokkenen, firmanten genoemd, leiden de onderneming en zijn samen eigenaar. Omdat er meerdere firmanten zijn is specialisatie mogelijk. Zo kan de ene firmant de marketing doen, de ander personeelszaken en een derde de financiering. Elk van de firmanten is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Dit wil zeggen dat elk van de firmanten met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de firma.
• Besloten vennootschap
Met het oprichten van een besloten vennootschap kan het privévermogen afgeschermd worden voor schuldeisers van de onderneming. De vennoten nemen elk voor een bepaald bedrag deel in het eigen vermogen van de onderneming. Hun aansprakelijkheid beperkt zich tot het bedrag dat ze hebben ingelegd. Dat is mogelijk omdat de bv (net als de nv) een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan zelfstandig schulden aangaan. De aandeelhouders zijn voor deze schulden niet aansprakelijk, waardoor hun privévermogen buiten schot blijft. Besloten vennootschappen zijn vaak familiebedrijven. De directeuren zijn in loondienst van de bv, maar hebben meestal ook de aandelen in handen. Zij krijgen als werknemer een loon en als aandeelhouder een deel van de winst: het zogenaamde dividend. De aandelen van een bv staan op naam en kunnen alleen met toestemming van de aandeelhouders aan iemand anders worden overgedragen.
• Naamloze vennootschap
Als een onderneming grote bedragen aan kapitaal nodig heeft is de bv minder geschikt en is de nv een beter alternatief. De aandelen van de nv staan niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Hierdoor kan een nv een veel groter vermogen aantrekken. De bezitters van de aandelen, aandeelhouders genoemd, hebben letterlijk een aandeel in het eigen vermogen van de onderneming en zijn voor de grootte van dat aandeel, eigenaar van de onderneming. Het aandeel geeft de aandeelhouder recht op een deel van de winst. Bij de nv is de dagelijkse leiding verder losgekoppeld van de eigenaars dan bij de bv. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de Raad van Commissarissen die de Raad van Bestuur (de directie) van de onderneming controleert. De directie voert de dagelijkse leiding van het bedrijf. De directeuren zijn werknemers van het bedrijf.

Fiscale verschillen
De winst van een bv/nv valt onder de vennootschapsbelasting terwijl de winst van de eenmanszaak en de vof on de inkomensheffing valt. De inkomensheffing kan oplopen tot 52 procent, terwijl de vennootschapsbelasting ongeveer 25 procent is.

links
Vraag en aanbod (video 9 min.)
Hoe teken ik een aanbodlijn (video 9 min.)
Ondernemingsvormen (video 20 min.)
Balans en resultatenrekening (video 13 min).

Begrippenlijst hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

De marktwerking

Evenwicht op de markt van merkloze spijkerbroeken
De collectieve vraag naar merkloze spijkerbroeken geeft de marktvraag naar deze spijkerbroeken weer van alle consumenten samen. Het collectieve aanbod van merkloze spijkerbroeken geeft het marktaanbod van deze spijkerbroeken weer van alle aanbieders samen. Vraag en aanbod bepalen uiteindelijk de prijs van merkloze spijkerbroeken.

Marktmechanisme
Zolang vraag en aanbod niet aan elkaar gelijk zijn, zal de prijs van het product veranderen. Als de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid dan zal de prijs van het product stijgen. De consumenten die voor het product het meest willen betalen, drijven de prijs op. Deze prijsstijging leidt tot een hoger aanbod van het product en een afname van de vraag naar het product. Het uiteindelijk resultaat is dat het vraagoverschot verdwijnt. Bij een aanbodoverschot zal de prijs van het product zover dalen tot er evenwicht is in vraag en aanbod. Het proces van prijsaanpassingen dat optreedt bij vraag- en aanbodoverschotten noemen we het marktmechanisme of prijsmechanisme.

Verschuiving over of langs de aanbodlijn en verschuiving van de aanbodlijn.
Als de prijs van een product verandert, vindt er een verschuiving plaats over of langs de aanbodlijn. In dit geval is er sprake van een positief verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid. Stijgt de prijs dan zal er meer aangeboden worden, daalt de prijs dan wordt er minder aangeboden.
De aanbodlijn verschuift naar links (boven) of naar rechts (onder) als de andere factoren die van invloed zijn op het aanbod veranderen. Zo zal een prijsstijging van katoen de kosten voor het maken van spijkerbroeken doen toenemen. Bij een gegeven prijs zullen minder fabrikanten spijkerbroeken aanbieden. De kosten zullen voor een aantal fabrikanten dan hoger zijn dan de opbrengsten. De aanbodlijn verschuift in dit geval naar links (boven). Omgekeerd zal het aanbod van spijkerbroeken toenemen als katoen goedkoper wordt aangeboden. De aanbodlijn verschuift dan naar rechts (onder).

links
Prijsvorming op de markt (video 15 min.)
Vraag en aanbod (video 9 min.)
Hoe teken ik een aanbodlijn (video 9 min.)

Begrippenlijst hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

Overige markten

De arbeidsmarkt
Op de arbeidsmarkt komen vraag naar arbeid en aanbod van arbeid bij elkaar. De prijs die op de arbeidsmarkt tot stand komt, is het loon. Voor de vragers naar arbeid is loon een kostenpost en voor de aanbieders van arbeid is het loon inkomen. Het aanbod van arbeid of de beroepsbevolking bestaat uit de bezette banen (werkgelegenheid) en de mensen die op zoek zijn naar een baan, de werklozen. De werkloosheid is dus het verschil tussen de beroepsbevolking en de werkgelegenheid. De vraag naar arbeid(skrachten) omvat de vraag naar werknemers door bedrijven (inclusief zelfstandigen) en de overheid. Het grootste deel van de vraag wordt ingelost, de werkgelegenheid. Het overige deel van de vraag blijft onvervuld, de vacatures. De vraag naar arbeid bestaat dus uit de werkgelegenheid + de vacatures. De arbeidsmarkt is voortdurend onderhevig aan veranderingen in vraag en aanbod. Groeit de werkgelegenheid plus vacatures harder dan de beroepsbevolking dan spreken we van een verkrapping van de arbeidsmarkt. Bij een verkrapping van de arbeidsmarkt wordt de verhouding tussen vraag en aanbod groter. Als de beroepsbevolking harder groeit dan de werkgelegenheid plus de vacatures is er sprake van een verruiming van de arbeidsmarkt. De verhouding tussen vraag en aanbod wordt dan kleiner. Het is mogelijk dat op de ene deelmarkt van de arbeidsmarkt een verruiming plaatsvindt en tegelijkertijd op de andere deelmarkt een verkrapping.

Loonelasticiteit van het arbeidsaanbod

procentuele verandering van het arbeidsaanbod
loonelasticiteit van het arbeidsaanbod = —————————————————————–
procentuele verandering van het loon

Het arbeidsaanbod is in het algemeen tamelijk looninelastisch. Dat wil zeggen dat het arbeidsaanbod zwak reageert op een verandering van het loon. De loonelasticiteit kan per beroepsgroep verschillen. Bij sommige beroepen kan het arbeidsaanbod op korte termijn niet sterk vergroot worden.

Loon en vraag naar arbeid
Net als het aanbod van arbeid is ook de vraag naar arbeid afhankelijk van de hoogte van het loon. We gaan ervan uit dat een ondernemer streeft naar een zo hoog mogelijke winst. Een ondernemer zal doorgaan met het aantrekken van werknemers, zolang de opbrengst van een extra werknemer groter is dan de kosten van die werknemer. Een stijging van het loon kan tot gevolg hebben dat de loonkosten van een werknemer hoger zijn dan de opbrengst van die werknemer. De ondernemer zal die persoon ontslaan om zo weer de maximale winst te behalen.

Loonelasticiteit van de arbeidsvraag

procentuele verandering van de arbeidsvraag
loonelasticiteit van de arbeidsvraag = —————————————————————-
procentuele verandering van het loon

Evenwicht op de arbeidsmarkt
Zolang de gevraagde hoeveelheid arbeid afwijkt van de aangeboden hoeveelheid arbeid zal het loon zich via het marktmechanisme aanpassen totdat het loonniveau Le is bereikt. Grafisch gezien vindt er zowel langs (over) de vraaglijn als langs (over) de aanbodlijn een verschuiving plaats. Tot nu toe zijn we ervan uitgegaan dat vraag naar en aanbod van arbeid alleen afhankelijk zijn van de hoogte van het loon. In werkelijkheid zijn er ook andere factoren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beïnvloeden. Als deze factoren veranderen, verschuift de vraaglijn en/of de aanbodlijn naar links of naar rechts.

Evenwicht op de ABM

Vermogensmarkt
Sparen en lenen
Sparen is het niet besteden van inkomen. Een deel van het huidige (besteedbaar) inkomen wordt niet nu geconsumeerd, maar doorgeschoven naar een later tijdstip. Door te sparen wordt vermogen opgebouwd. Sparen is een voorbeeld van ruilen over de tijd of intertemporele ruil: de consumptie van nu ruilen voor de consumptie in de toekomst. Lenen is het tegenovergestelde van sparen. Door te lenen ontvang je geld dat je later terug moeten betalen. Het stelt je in staat nu meer te consumeren dan je huidig inkomen. Je haalt consumptie naar voren. Ook hier is sprake van ruilen over de tijd: consumptie in de toekomst ruilen voor de consumptie van nu. Sparen en lenen hebben beide hun prijs. Een spaarder heeft een lage tijdsvoorkeur, hij is ‘geduldig’ en stelt zijn consumptie uit. Hij wil wel een vergoeding voor het afstaan van geld. Die vergoeding noemen we rente. Een lener heeft een hoge tijdsvoorkeur, hij is ‘ongeduldig’ en haalt consumptie in de tijd naar voren. Hij is bereid een prijs te betalen, omdat hij nu over een hoger bedrag kan beschikken dan zijn huidige inkomen. Deze prijs noemen we ook rente. Bij de keuze of je wilt sparen of lenen spelen de opofferingskosten een rol.

De eindwaarde van een bedrag geeft aan hoeveel een huidig bedrag in de toekomst waard is, gerekend met een bepaald rentepercentage. Het rentepercentage wordt daarbij verwerkt in de groeifactor van het huidige bedrag. Dus als het huidige bedrag € 2.000 bedraagt en het rentepercentage bedraagt 4%, dan is de eindwaarde over 5 jaar te berekenen met € 2.000 x 1,045. De contante waarde van een bedrag geeft juist weer hoeveel een bedrag in de toekomst op dit moment waard is, gerekend met een bepaald rentepercentage. Dus € 2.000 over 6 jaar bij een rentepercentage van 3% heeft op dit moment een contante waarde van € 2.000/1,036.

Vraag en aanbod op de vermogensmarkt
Op de vermogensmarkt, een abstracte markt, komen vraag naar en aanbod van geld(vermogen) samen. Marktpartijen met een geldtekort vragen geld en marktpartijen met een geldoverschot bieden geld aan. De prijs die op de vermogensmarkt tot stand komt, noemen we rente. De vermogensmarkt is in evenwicht als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Als de rente een waarde heeft die afwijkt van de evenwichtsrente zal via de werking van het prijsmechanisme een aanpassingsproces in gang gezet worden, zodanig dat er een evenwicht ontstaat. Naast de rentevoet bepalen ook andere factoren de vraag naar en het aanbod van geld. Je kunt hierbij denken aan hoe de nationale economie er voor staat, de hoogte van de belastingtarieven, inflatieverwachtingen en de tijdsvoorkeur. Als deze factoren veranderen, kan dat leiden tot een verschuiving van de vraaglijn en/of aanbodlijn van geld.

De valutamarkt
Indien internationale geldstromen plaats vinden tussen landen met een verschillende valuta, zal de valuta van het ene land omgeruild moeten worden tegen de valuta van het andere land. Dat omruilen gebeurt op de internationale valutamarkt. Op de valutamarkt wordt via vraag naar en aanbod van valuta, de prijs van een valuta bepaald. De prijs van een valuta, uitgedrukt in een andere valuta, noemen we de wisselkoers.

De hoogte van de wisselkoers van een valuta wordt – net als op andere markten – bepaald door vraag en aanbod. Vraag naar euro’s ontstaat bijvoorbeeld als particulieren of bedrijven uit niet-eurolanden euro’s nodig hebben om in de eurozone goederen of diensten te kopen of om in de eurozone te beleggen. Aanbod van euro’s ontstaat als particulieren of bedrijven uit de eurozone hun euro’s om moeten wisselen in andere valuta om in niet-eurolanden goederen of diensten te kopen of om in niet-eurolanden te beleggen.

Als de vraag naar een valuta hoger is dan het aanbod van een valuta, zal de prijs van die valuta, de wisselkoers, stijgen. Dit noemen we een appreciatie. Als de vraag naar een valuta kleiner is dan het aanbod van een valuta, zal de wisselkoers dalen. Er is dan sprake van een depreciatie. Als de wisselkoers van een valuta verandert, kan dat grote consequenties hebben voor de economie van het land met de betreffende valuta. Zo heeft een koersdaling van de euro voor de eurozone verschillende gevolgen:

  • De prijzen van producten uit de eurozone zullen -omgerekend in buitenlandse valuta- dalen. Hierdoor kan de export van de eurozone toenemen, hetgeen kan leiden tot een toename van de werkgelegenheid en het bbp van de eurozone.
  • De prijzen van producten van buiten de eurozone zullen -omgerekend in euro’s- stijgen, waardoor de hoeveelheid geïmporteerde goederen en diensten af zal nemen.
  • Omdat de gestegen importprijzen doorberekend worden in de verkoopprijzen, zal het gemiddelde prijspeil in de eurozone toenemen en is er dus sprake van een hogere inflatie in de eurozone.

Het omgekeerde is het geval bij een koersstijging van de euro.

De valutamarkt kan ook als een marktmodel worden weergegeven, waarbij de vraag naar en het aanbod van een bepaalde valuta in een stelsel van vergelijkingen wordt weergegeven. Hierbij wordt er van uit gegaan dat de valutamarkt steeds in evenwicht komt.

links
Arbeidsmarkt (video 15 min.)
Vraag en aanbod (video 9 min.)
Hoe teken ik een aanbodlijn (video 9 min.)
Arbeidsmarkt (video 2 min.)
Sparen en lenen (video 5 min.)
Uitleg vermogensmarkt (video 14 min.)
Uitleg valutamarkt (video 6 min.)

Begrippenlijst hoofdstuk 6